Hout en potaarde

Gepost op: 29/06/18

Op mijn balkon staat een houten tafeltje dat mijn grootvader heeft gemaakt. Hij was dokwerker van beroep maar alleskunner van nature. Toen ik het zonet inwreef met vernieuwer, zag ik mijn handen in de zijne schuiven terwijl hij de laatste hand legt aan de afwerking. Over de jaren heen koesterden we hetzelfde hout.

Een van komende dagen zal ik met mijn handen in de potgrond zitten, nu mijn appartement eindelijk wat groen gekregen heeft, en zal ik de gebaren van mijn grootmoeder overnemen. Ze overleed vandaag twee jaar geleden – 104, ik zeg het er altijd maar even bij. Het herinnert me er voor de tweede keer al aan dat ik ook precies zoveel jaar geen vlees meer eet.

We leven door in onze bloedverwanten. Mijn grootouders in mij.

Ik zit nu aan dat tafeltje op het balkon met restjes geur van de vernieuwer in mijn neus. Mijn grootouders hebben nooit met een computer gewerkt, mijn grootvader heeft er zelfs nooit een aangeraakt.  

Maar het is niet in technologie dat we doorleven, maar in hout en potaarde.

 




Joost, Peter & het Tet-offensief

Gepost op: 12/02/18

Op 31 januari interviewde ik Joost de Vries voor het tijdschrift Verzin. Locatie was de Brakke Grond in Amsterdam. Een heerlijk gesprek waar ik nu nog dagelijks aan terugdenk, terwijl ik zelf zit te schrijven in het Lijsternest van Stijn Streuvels. Voor wie wat opfrissing nodig heeft: Joost won in 2014 de Gouden Boekenuil voor zijn roman De republiek. Hij creëert personages die bulken van de kennis en die daar graag mee uitpakken. Joost zelf is even veelbelezen maar wat bescheidener, het werd een fijne babbel over ambities, rituelen, persoonlijkheid en de lol van het schrijven. Toen we afrondden, wat handtekeningen uitwisselden en nog even na keuvelden, vertelden we over de boeken die we momenteel aan het lezen waren. Bij mij was dat Max, Mischa & het Tet-offensief van Johan Harstad.

‘O ja, is die wat goed?’ vroeg hij, ‘want 1200 pagina’s dat is toch een heel commitment om daaraan te beginnen.’

‘Best wel', zei ik. Waarop hij eruit flapte: ‘Dat is vandaag, wist je dat?’

‘Wat?’

‘Het Tet-offensief. Op 31 januari.’ Ik stond versteld.

‘En dat weet jij zomaar?’

‘Het was in 1968, precies vijftig jaar geleden. En het valt samen met de verjaardag van prinses Beatrix, die wordt vandaag tachtig. Ik moet wel zeggen: ik heb er onlangs een stuk over gemaakt voor De Groene Amsterdammer. Maar anders had ik het ook wel geweten.’

Waarmee ik dus in één klap reclame maak voor Max, Mischa & het Tet-offensief, De republiek (of zijn nieuwste, Oude meesters) en het lentenummer van Verzin. Elk werkstuk is ongeveer een vijfde dunner dan het vorige, maar laat dat vooral geen graadmeter zijn.

 




Schrijfresidentie in het Lijsternest

Gepost op: 08/02/18

Veertien dagen lang mocht ik met de steun van Passa Porta gaan schrijven in het Lijsternest in Ingooigem. Een erg fijne tijd. In het werk aan de roman heb ik enkele essentiële stappen kunnen zetten. Er valt nog weg af te leggen, maar er gloort nu iets concreets aan de horizon. De komende weken en maanden ga ik het vuur brandende trachten te houden. Af en toe zal ik hier ook iets delen. 

 

Aan schrijfresidenten in het Lijsternest worden enkele ‘tegenprestaties’ voorgesteld, onder meer het invullen van een lijst met zes vragen. Ik vulde ze twee per twee in. Nu zijn ze compleet. 

 

1. Je bent pas aangekomen op het Lijsternest. Wat viel je meest op tijdens je allereerste kennismaking met de site?

Ik kende het Lijsternest alleen van naam en ik stelde me daar altijd een hoevetje in de velden bij voor, zoals dat van boer Vermeulen uit De vlaschaard. Een afgelegen nest voor een schrijver. Toen ik voor mijn verblijf de afbeeldingen bekeek, zag ik al dat ik dat mis had. Wat mij ter plekke opviel, was dat het Lijsternest geen afgelegen boerderij is, maar een villa aan de drukke weg die door Ingooigem loopt en waarlangs er nog wel meer van dergelijke villa’s liggen, met illustere namen als Rozenhof of Barre Hoogte.

Wat daarna meteen in het oog sprong: hoe knus het schrijfverblijf in de voormalige schuur is ingericht, met groene, witte en grijze tinten en een muur die een houtkleur heeft gekregen door twee koffieschilderingen. Die leverden meteen inspiratie op en komen misschien nog wel ergens in mijn roman voor.

2. Wat zijn jouw verwachtingen van dit verblijf in het huis van Stijn Streuvels (1871-1969)?

Een roman schrijven, daarvoor moet je in het schrijversjargon ‘kilometers maken’. Dat past hier wel in deze streek, waar elke zichzelf respecterende Vlaamse koers passeert – gisteren wandelde ik in het nabije Otegem nog langs het standbeeld van Jef Planckaert. Die kilometers hoop ik te maken door de afzondering, het afgesloten zijn van werk en van tv, het schaars beantwoorden van mails, het uitschakelen van de telefoon. Dat past hier ook, in en rond een huis waar alleen literatuur van belang is.

Een coureur wordt geleerd om direct weer op te staan als hij valt, zijn fiets te nemen en verder te rijden. Aan de meet zal hij dan wel zien of hij breuken of andere bijna dodelijke verwondingen heeft opgelopen. Zo wil ik hier schrijven: doorgaan, niet omzien, lappen tekst produceren, geregeld vallen en weer opstaan. De nazorg, het herschrijven en herschikken, het schrappen en bijwerken, zal ik wel doen nadat ik hier tien dagen verder over de meet ben gebold.

3. Denk je dat je op ‘een andere manier’ zult schrijven en werken dan je normaal doet?

Ik hoop dat het meer geconcentreerd zal zijn. In de eerste plaats omdat er alleen maar lezen en schrijven is, maar ook door de verandering van plaats. Niet dat het de eerste dag al van een leien dakje zal lopen – dat weet ik ondertussen – want ik heb wel wat aanlooptijd nodig.

4. Wat zul je het meest missen aan thuis?

Eerlijk? Niks. Of toch geen materiële zaken. Wel mensen, maar daarvoor bestaan enkele technologische hulpmiddeltjes. Voor de rest voel ik me hier perfect op mijn gemak. Zelfs ’s nachts die enkele meters afleggen door de vrieskou om naar het toilet te gaan begint zijn charme te hebben. Ik zou hier best langer dan twee weken kunnen blijven.

5. Welk Streuvelsboek wil je (her)lezen in het kader van jouw verblijf en waarom dit boek?

In de kleine gastenbibliotheek (met dit prachtige leesmeubel van Müller-Van Severen, maar dat terzijde) las ik al het begin terug van De vlaschaard, ooit verplichte lectuur. Ik was gecharmeerd door die donkere zompige openingsscène waarin boer Vermeulen grommelt over een winter die maar niet voorbij wil gaan. Het gaat traag, er komen veel beschrijvingen en herhalingen in, maar het zet prachtig een sfeer neer. Misschien lees ik er thuis nog verder in, want het verhaal van de generatiestrijd is universeel. Ook in Het leven en de dood in den ast heb ik gegrasduind en plots had ik een déjà vu waarvan ik niet weet – zoals meestal met déjà vu’s – of die gebaseerd is op een echte herinnering. In elk geval kom ik daar moeilijker in, dat is toch een heel specifieke setting, met bijhorende terminologie. 

 

 

6. Wat vind je de mooiste, gezelligste of meest inspirerende plek op de hele residentie?‚Äč

Dat zijn drie verschillende zaken. Ik zei al dat ik het schrijfverblijf een erg aangename ruimte vind – gelukkig maar, want om ergens te kunnen schrijven, moet ik me er toch wat comfortabel voelen. Dat is dus misschien wel de gezelligste plek, ook omdat ze helemaal van jou is.

De mooiste plek – het is een cliché maar clichés bevatten veel waarheid – is het brede raam in de werkkamer van Stijn Streuvels. Ik heb me niet alleen aan die ervaring overgegeven, ik heb me ook afgevraagd hoe het komt, wat de magie van die plaats en dat uitzicht is. Volgens mij een combinatie van twee factoren. Om te beginnen steekt het raam een meter of twee, drie boven het aanpalende veld uit. Net niet de hoogte van een eerste verdieping, waardoor je een tastbaar contact hebt met de wereld en er tegelijk een beetje boven verheven bent. Daarnaast is er de weidsheid. Van de korte bomenrij aan de linkerkant tot de molen op de Tiegemberg aan de rechterkant wordt het zicht door niets gehinderd. Er ligt een wandelpad en van zodra je opkijkt en rechts in de verte wandelaars ziet opduiken, opvallend vaak met een hond, dan kun je hen – als je dat zou willen – helemaal volgen tot ze links in de dreef langs de villa verdwijnen. Dat duurt drie tot vijf minuten, het hangt ervan af hoe vroeg je hen gespot hebt. Het is de traagheid waarmee pastoor Munte in Wij, heren van Zichem door het veld liep terwijl de camera maar bleef draaien. Het is de traagheid ook uit Streuvels’ boeken. De traagheid van het platteland. Een verademing.

Ik kreeg al uiteenlopende reacties op mijn foto van dat uitzicht (voor de gelegenheid een sneeuwlandschap). Reacties gaande van ‘daar kun je onmogelijk niét schrijven’ tot ‘ik zou alleen maar naar buiten staren’. Nog eens een cliché: de waarheid ligt in het midden. Omdat het zo nadrukkelijk een werkplek is, buiten het eigenlijke schrijversverblijf, schakel je er automatisch een versnelling hoger. Het uitzicht kan afleiden, maar af en toe kijkt een schrijver op van zijn laptop, nadenkend over de volgende zin, en dan is er geen mooier beeld om op je netvlies te laten inwerken dan dit.

Dat maakt het niet per se tot de meest inspirerende plek. Inspiratie voor poëzie haal ik wel af en toe uit de omgeving, maar hier heb ik aan een roman gewerkt en daarin ligt veel meer vast. Details van mijn verblijf in het Lijsternest zullen er ongetwijfeld insluipen, maar die zijn niet gebonden aan één bepaalde ruimte hier. Doorgaans is een inspirerende plek voor mij gewoon degene waar ik (de juiste) boeken bij me heb. En die had ik uiteraard bij…

 

 

 

 




Het klopt niet

Gepost op: 16/10/17

Er klopt iets niet aan de dag. Een laatnamiddagwandeling over de Hagelandse hoogvlakten, de zon die zomerse warmte afgeeft, maar laag staat en verblindend zwarte vlekken maakt die eigen zijn aan de winter. Ik word buiten de tijd geplaatst, zoals een zonsverduistering overdag donkerte geeft, zo lijkt dit een laat zomeravondlicht te zijn, terwijl het nog geen vijf uur is. Er klopt niks van, de boer staat de warmte uit de lucht te kijken en fluit zijn twee honden terug. Dat we ervan moeten... Lees Meer


Plannen

Gepost op: 03/10/17

Die ochtend in de Brusselsestraat. Ik zie vanop een afstandje drie werkmannen, jonge gasten nog, rond een grote balk staan. Geen houten balk, eerder een pak isolatiemateriaal of iets anders dat nogal onhandig te tillen valt. De balk is zowat twee meter lang en dertig centimeter breed. Wat gedaan? Uiteindelijk pakt de dapperste van de drie het pak op. Na wat manoeuvreren laat hij het op zijn knie steunen en vervolgens gaat het hup, tot in zijn armen. Het pak zwaait even vervaarlijk naar links... Lees Meer




Nieuwsarchief