Dicht bij de natuur

Gepost op: 29/06/21

Vandaag vijf jaar geleden overleed mijn grootmoeder. Ze werd 104. Het bewuste leven had haar al langer verlaten, maar het leek of haar lichaam op deze wereld wilde blijven tot al haar negen broers en zussen vredig waren heengegaan, als behoedster van de familie – haar jongste zus overleed twee maanden ervoor, op een leeftijd van 99 jaar.

De sterfdag van ‘moemoe’ is ook de dag dat ik gestopt ben met vlees eten. Ik vind het nog altijd moeilijk om dat verband te duiden, maar het is er wel. Alsof ze me die dag iets wilde leren en dat daar een veruitwendiging van is.

Mijn grootmoeder was altijd de Stille Kracht van ons gezin. Weinig woorden, veel warmte. Vandaag is het vijf jaar geleden en ik heb al enkele dagen het gevoel dat ze me weer iets wil leren.

Gisteren hoorde ik op de radio een citaat van Jean-Jacques Rousseau, het was blijkbaar de zoveelste geboortedag van de grote Franse filosoof. Het ging erom dat de mens dicht bij de natuur moet blijven. Ik interpreteer dat dubbel: de natuur als omgeving en de natuur, de aard van de mens zelf. Het past allebei bij mijn grootmoeder.

Ik was verrast door die link die zich zo plotseling aandiende, maar ik wist meteen ook dat het klopte. Het zet weer een aantal dingen in een nieuw perspectief, zoals het klimaatdichterschap dat ik afgelopen jaar opnam.

Maar de echte les ga ik in mezelf moeten zoeken. Misschien zal het net zo moeilijk uit te leggen blijken als het besluit om nagenoeg geen vlees meer te eten. De helderste zaken zijn soms het moeilijkst om uit te leggen.

Het is bijna juli, de riem gaat er stilaan af, meer tijd voor andere dingen. Zoals op ontdekkingstocht gaan. Schrijven lijkt me daartoe een mooie manier.

 




Manuscript

Gepost op: 05/05/21

Het manuscript van de roman waar ik de afgelopen vijf jaar aan heb gewerkt (naast de poëzie) heb ik voor onbepaalde tijd in de lade gelegd. Dat is best een pittige beslissing geweest. Het goede nieuws is dat er hopelijk iets moois voor de in plaats komt.

Die roman, die als werktitel Perceval kreeg, ging over onderwerpen die mij altijd geïnteresseerd hebben, een ongewone liefdesgeschiedenis, radicalisering, schaken, Joegoslavië. Het basisverhaal was al oud, de thema’s zijn er gaandeweg ingeslopen. Ik heb het door de jaren herwerkt en bijgestuurd, maar het werd op den duur te veel patchwork. Wat op de ene plaats werd opgelapt vertoonde elders nieuwe scheuren.

Het manuscript is de voorbije maanden door enkele deskundige handen gegaan en hoewel het zeker bijval oogstte, werden er ook mankementen blootgelegd. De conclusie was dat Perceval mogelijk niet het beste boek is dat ik op dit moment in me heb. Dat kan gebeuren, maar het was niet gemakkelijk om me daarmee te verzoenen.

Ik had het nog een keer op de schrijftafel kunnen leggen, maar dat wrong. Omdat ondertussen een tweede verhaal zich opdrong – het leek soms of ik van twee romans moest bevallen. Dat andere verhaal heeft als uitgangspunt het oorlogsdagboek van mijn grootvader, dat ik hier een jaar geleden in ruwe, onbewerkte staat deelde.

Om die dagboeken eer te bewijzen in een goede roman nam ik jaren geleden de beslissing om eerst een andere roman te schrijven. Die zou me de ervaring geven voor een tweede, beter boek. Of dat een verkeerde beslissing was, zal ik nooit kunnen zeggen. Ik heb met Perceval alleszins mijn vingers geoefend. En ik heb zin om dat verhaal van mijn grootvader te vertellen.

Maar om dat eerste manuscript aan de kant te leggen heb ik wel wat moed uit het onderste van de kan moeten schrapen. Het is na jaren opnieuw beginnen. Het hielp daarbij dat ik dat nog ooit gedaan heb. Toen ik negentien was, heb ik mijn studies wiskunde stopgezet om aan taal- en letterkunde te beginnen. Die beslissing borrelde toen al even en op een nacht in september verliet ik in mijn geboortedorp een fuif waar ik amper iemand kende en ging ik twee uur lang door de nacht dolen. Tijdens die nachtelijke wandeling heb ik de knoop toen doorgehakt. Zonder de avondklok was het nu vast opnieuw zo gegaan.

Ik wil bij deze ook iedereen bedanken die op een of andere manier steun, klankbord en kritische stem is geweest bij dat eerste manuscript en ik hoop dat ik ook de komende jaren – het zullen er wel geen vijf zijn ditmaal – nog op jullie mag rekenen.

(Nu ik deze herinnering ophaal, valt me plots in dat die fuifzaal van toen het repetitielokaal was van een fanfare. Die fanfare had de omineuze naam Moed en Volharding.)

 




We blijven nog

Gepost op: 21/04/21

Bij het ruimen van graven, waaronder dat van mijn grootvader (Heist-op-den-Berg, 2021)

 




Vrijheid

Gepost op: 19/04/21

Al enkele dagen werd ik geplaagd door een sluimerende mening. En toen kwam Aretha Franklin een handje helpen.

(verscheen als opinie in De Standaard van 9 april 2021)

VRIJHEID

Het is de Classics 1000 op Radio 1 en Aretha Franklin schreeuwt het uit: ‘Freedom. Freedom! Freedom!!’ Er is niemand in de buurt, dus ik kan het me veroorloven om luidkeels mee te zingen. Een uur later galmt Aretha nog altijd in mijn hoofd. Dat is wat een catchy lied doet: het kruipt tussen je oren, blijft daar in het rond stuiteren en zichzelf herhalen. Maar waar gaat het ook alweer over? Juist: vrijheid dus, het meest misbruikte begrip van de laatste maanden, een begrip dat tot de nieuwe heilige graal geworden is en dat iedereen meent te moeten claimen. Plots is het uit met de pret. Aretha zwijgt en ik huiver als ik eraan denk hoever sommigen bereid te zijn te gaan voor die graal.

In De Standaard van 10 april liet MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez optekenen dat de vrijheid wat hem betreft op nummer één staat. Niet gezondheid. Niet veiligheid. Zelfs niet het redden van de planeet – ja, zo zei hij het echt. Maar wel: vrijheid. Er zijn dit jaar aan deze zijde van de oceaan nog niet veel politici geweest die op een radicalere uitspraak te betrappen vielen dan Bouchez. Daarmee zet de liberaal de deur open voor een ver doorgedreven egoïsme. Dat hoeft allicht niet te verwonderen, want zijn ideologie is logischerwijze gestoeld op een liberale opvatting van vrijheid.

‘Liberté, égalité, fraternité’, riepen de Franse revolutionairen in 1798. Die slogan hadden ze beter omgedraaid. Fraternité staat ver boven liberté. Fraternité gaat om solidariteit. Als ik oprecht bekommerd ben om jouw welzijn, dan wil ik daar in mijn vrijheidsdrang terdege rekening mee houden. Jij en ik werken samen, leven samen, dat is democratie.

Vrijheid en democratie, die combo onderzocht Annelien De Dijn in haar recente boek Vrijheid, een woelige geschiedenis. Kort door de bocht is de conclusie dat er in de huidige notie van vrijheid nog weinig over is van de idealen van de Franse Revolutie. De wegen splitsten zich, er kwam tweespalt tussen enerzijds vrijheid als democratisch en breed gedragen zelfbestuur en anderzijds vrijheid als een egocentrische verdediging van de eigen privileges. Die laatste idee van vrijheid werd verdedigd door de liberalen, die zich in de loop van de negentiende eeuw verenigden. Sindsdien is de slinger verder doorgeslagen. Elk dwepen met de Verlichtingsidealen ten spijt is het huidige individualistische begrip van vrijheid juist anti-democratisch. Het gaat ervan uit dat de eigen persoonlijke vrijheid moet veiliggesteld worden. Ten koste van wat dan ook. Van de gezondheid, van de veiligheid, van het leefmilieu. Dat is wat we de laatste maanden zien: mensen claimen vrijheid, ‘hun’ vrijheid. Les autres, c’est quand-même l’enfer, n’est-ce pas?

Het kan ook anders. Het sleutelwoord is solidariteit. Dat valt in een eenvoudig beeld uit te drukken. Wie solidair is, streeft er niet naar zoveel te hebben als zijn naaste die meer heeft. Wie solidair is, probeert ervoor te zorgen dat zijn naaste die minder heeft, evenveel krijgt als hijzelf. Niet met de ellebogen werken, maar met uitgestoken handen. Je kunt dat toepassen op materiële eigendom: evenveel willen bezitten als je buur leidt tot een egocentrische maatschappij waarin onvermijdelijk de rijken rijker worden en de armen armer. Zei daar iemand neo-liberalisme?

Met vrijheid is het net zo. In een samenleving waar iedereen angstvallig zijn eigen rechten opeist ten koste van de maatschappij, is echte vrijheid niet mogelijk. Wie streeft naar alsmaar meer, is niet vrij, maar zit gevangen in het web van zijn eigen hebzucht. Als ik lees dat VOKA-voorzitter Wouter De Geest vindt dat we tien jaar lang minstens twee procent economische groei nodig hebben, denk ik: hoe onvrij ben je als zulk een doel een must wordt?

Echte vrijheid vloeit voort uit solidariteit, liberté is helemaal niets waard zonder fraternité. Alleen dan is het leefbaar voor iedereen. Het is goed dat een overheid daarop aanstuurt door het opleggen van spelregels. Een sterke overheid is niet in tegenspraak met vrijheid, betoogt De Dijn, het is een valse keuze. Je kunt het ook omkeren: als we ons constant moeten beschermen en verdedigen tegen de absolute vrijheidsdrang van de anderen, zijn we niet vrij. We maken dat nu mee op het vlak van gezondheid, maar het is al vaak gezegd: dat is nog niets vergeleken bij de klimaatcrisis die op ons afkomt. Dan zal een sterke overheid, die gemeenschapszin toont, meer dan nodig zijn. Met politici als Bouchez lopen we als lemmingen de afgrond in. Die overheid moeten we weliswaar – laat ik het om alle misverstanden te vermijden maar even duidelijk zeggen – van dichtbij op de vingers kijken.

De titel van Aretha Franklins meezinger is trouwens Think. Misschien moeten we dat met z’n allen maar eens doen, wat meer nadenken in plaats van eisen te stellen. Wat zingt ze nog meer? ‘Without each other there ain’t nothing people can do.’ Juist! Ik word opnieuw blijgezind. De buren mogen het ook weten.

 




Pasen

Gepost op: 04/04/21

'Ti zeteite ton zonta meta ton nekron?' (Lucas 24:5)

'Waarom zoekt gij de levende onder de doden?'

Het is de vraag die twee hemelse gezanten stellen aan de vrouwen die op de ochtend van Pasen het graf van Christus komen bezoeken. Het is treffend dat deze boodschap aan enkele vrouwen wordt overgemaakt, die ze op hun beurt aan de apostelen meedelen. De vrouwen zijn het eerste doorgeefluik.

Er bestaat geen mooiere boodschap dan die van de wederopstanding. Een spiritueel oerbeeld dat al lang bestond voor het verweven werd met verschillende religies. In de christelijke traditie is het met stip Feest #1.

Ik vind het ook het mooiste.

Van zodra ik de kindertijd met het versieren van de kerstboom en de pakjes ontgroeid was, begon ik meer van Pasen te houden. Een jubelend feest van zon en eieren en paasbeste kleren. Vernieuwing en verrijzenis in plaats van de ellende van een arme baby die ligt te verkommeren in een kouwe stal. Halleluja in plaats van Susa Nina.

Wat een boodschap ook: wat uitgedoofd was laait weer op, wat vertrappeld was bloeit weer, wat teneergedrukt was richt zich weer op, wat koud was gloeit weer.

Kort voor Allerheiligen schreef ik hier over het intreden van de winter, het stilvallen van het leven. We plooiden ons terug in de donkerte van vroege avonden. Het land en de natuur stierven – tijdelijk. En nu, van onder vrieskou en sneeuwkorsten, komt die natuur weer tot leven. Krokussen en narcissen, lammeren en kuikens.

En wij met de natuur. Vijf maanden zijn er voorbij. Vijf maanden van stilstand en wintertijd. We krijgen nu de kans om onszelf te vernieuwen. Symbolisch, maar ook in daden. We ondergaan de vernieuwing, maar we kunnen er ook actief aan bijdragen. De hand weer aan de ploeg, de vingers aan de pen. Voornemens die nu oprechter klinken dan met Nieuwjaar.

Vanochtend liep ik langs het kerkhof waar het graf van mijn grootvader sinds kort niet meer bestaat en ik dacht aan de woorden: ‘Waarom zoekt gij de levende onder de doden?’

Inderdaad. Wat een openbarende vraag!

Fijne Pasen aan u allen!

 

 






Nieuwsarchief