De stad van vroeger en straks

Gepost op: 28/03/19

Deze foto passeerde onlangs op een historiepagina over Leuven. De Bondgenotenlaan in de jaren zestig, incluis mini-juupjes en kniehoge kousen, met als blikvanger de kleurrijke lijnbus naar Diest. De foto deed me aan Palermo denken, waar ik een jaar of vijf geleden rondliep en reed: de files in de nauwe straten, de chaos op de boulevards, de scootertjes die je als wespen links en rechts voorbij gonzen. Die indruk wordt versterkt door de felle zon, de diepe schaduwen, de statige gebouwen die zij aan zij staan te roosteren. Palermo, of een andere zuiderse vervuilde stad. 

Vorige zaterdag liep ik ’s ochtends door het centrum van Leuven. De hemel bewolkt, de straten rustig. In de grootste, verkeersvrije winkelstraat stonden groepjes mensen te praten, een kind koerste op een loopfietsje voorbij. Het leek wel een dorp van een halve eeuw geleden. Er was geen drukte. Er was leven. De straten ademden behaaglijk. Ik had me in geen tijden zo één gevoeld met de omgeving.

Er komt een tijd, en die is niet meer zo veraf, dat al onze steden zo zijn: dat ze in gemoedelijkheid het dorp in zichzelf herontdekken, de stoeltjes voor de deur misschien gegroepeerd op terrassen, maar straten waarin mensen van de ene kant naar de andere kuieren en een kind vrij kan rondlopen. Auto’s zullen er nog rijden om mensen van en naar de stad te voeren, niet om in die stad rond te rijden. Bandeloos (no pun intended) verkeer van auto’s in het centrum van onze steden zal iets zijn waar de volgende generaties zullen op terugblikken als een tijdelijk fenomeen, een relict uit de jaren tussen 1960 en 2030, even voorbijgaand en onbegrijpelijk als de bovengrondse riolen uit de middeleeuwen of plastic wegwerpbestek.

 




Poortjes

Gepost op: 18/12/18

Soms moet je dingen weten om te keren.

Gisteren was een baaldag. Zo’n echte, waarop een toestel uit je handen glipt en een ander kapot gaat, waarop je nieuwe of herstelstukken koopt en bij het passeren van de brievenbus merkt dat je een week eerder een signalisatie van wegenwerken gemist hebt. En net wanneer je je daar allemaal bij neergelegd hebt, kom je erachter dat een levering zoekgeraakt is omdat men je oude adres nog had.
Dat is balen. Heel erg.
En toch.

Op zo’n dag komen er altijd andere dingen naar boven. Dan voel ik hoe de kosmos mij die loer draait om me eens goed dooreen te schudden. Dan krijg ik, met de steun van de liefste die ze zo onvoorwaardelijk en met overgave schenkt, nieuwe energie. Dan weet ik dat die tik van de kosmos zegt: stop met tijd te versmossen aan onbenulligheden.

Je moet dingen proberen om te keren.

Het is niet toevallig dat er voor Pasen een periode ligt van veertig dagen vasten. De katholieke resetknop. En nu, voor Kerstmis, is er de advent, maar zijn we die niet helemaal kwijtgespeeld? Wie weet nog dat Kerstmis wordt ingeleid door vier zondagen? Neen, geen koopzondagen.
Alleen de adventskrans, wanneer hij vier kaarsen telt, getuigt nog van dat voorbereidingsritueel.

Vroeger, toen in de lagere school mijn vader ook mijn meester was, stond er achter in de klas een miniatuurgebouw in piepschuim, type langgevelhoeve. Daarin waren vijf poortjes, één voor Kerstmis en een voor elke zondag van de advent, en achter elk poortje zat een tafereel. Ik ben vergeten welke, maar ik geloof dat de annunciatie en de tocht naar Bethlehem erbij zaten. Het was elke maandag een spannend hoogtepunt wanneer we een poort mochten openmaken. Kerstmis naderde en dat voelde je.

Gisteren ging er zo’n poortje open. 
Vandaag kwam die verloren zending terecht.
Morgen zet ik mij aan het schrijven, enkele dagen offline. De tocht naar Bethlehem is nog lang.

 




Ge kunt gij daar niet aan uit

Gepost op: 01/11/18

Mijn vader bezocht ik vandaag voor de tiende keer met Allerheiligen. Mijn grootvader (langs moeders kant) ligt daar al meer dan dertig jaar. Het zijn zulke bakens geworden dat ik enkele dagen geleden schrok van de gedachte dat ook mijn grootmoeder daar nu al twee jaar haar plekje heeft. Het is ook vreemd, eigenlijk was ze er al een tijdje niet meer, voor ze doodging. Ik koppel haar elders zijn dus maar zelden aan het kerkhof. 

Ik vroeg me af of ik te weinig aan haar dacht, en ook aan de anderen. Een vaag schuldgevoel. Hen op het kerkhof bezoeken doe ik ook niet vaak. Misschien schept het leven momenteel geen problemen waar zij een oplossing voor weten. 

Neen, dacht ik dan, ik beeld me dat maar in. Ik denk gewoon niet zo vaak aan hen als doden, maar ze zijn levend en wel in mijn verhalen, gedachten en gesprekken. Wanneer ik mijn grootvaders dagboek vastneem, klapt een hele familiegeschiedenis open, zelfs zonder dat ik de bladzijden omsla. De verhalen dobberen met mij mee, kruipen over de bodem, schieten soms naar de oppervlakte.

Ze vergezellen me wanneer ik mijn moeder bezoek, langs het huis van mijn grootouders rijd, deze stukjes schrijf, soms kietelen ze mij in mijn dromen. Gisteren nog dampte in de bedrijfskantine dezelfde snert met rookvlees die ik at de dag dat mijn grootmoeder stierf, mijn laatste maaltijd met vlees.

Hoe zit dat, vroeg een collega, daar moet toch een verband zijn? Dat is er ook, maar niet één op één, en dat zei ik ook. Ik kon dat niet precies uitleggen. Dat heeft iets met liefde te maken. En weet ge: hoe dat de dingen van het hart gebeuren, ge kunt gij daar niet aan uit.

 




Hout en potaarde

Gepost op: 29/06/18

Op mijn balkon staat een houten tafeltje dat mijn grootvader heeft gemaakt. Hij was dokwerker van beroep maar alleskunner van nature. Toen ik het zonet inwreef met vernieuwer, zag ik mijn handen in de zijne schuiven terwijl hij de laatste hand legt aan de afwerking. Over de jaren heen koesterden we hetzelfde hout.

Een van komende dagen zal ik met mijn handen in de potgrond zitten, nu mijn appartement eindelijk wat groen gekregen heeft, en zal ik de gebaren van mijn grootmoeder overnemen. Ze overleed vandaag twee jaar geleden – 104, ik zeg het er altijd maar even bij. Het herinnert me er voor de tweede keer al aan dat ik ook precies zoveel jaar geen vlees meer eet.

We leven door in onze bloedverwanten. Mijn grootouders in mij.

Ik zit nu aan dat tafeltje op het balkon met restjes geur van de vernieuwer in mijn neus. Mijn grootouders hebben nooit met een computer gewerkt, mijn grootvader heeft er zelfs nooit een aangeraakt.  

Maar het is niet in technologie dat we doorleven, maar in hout en potaarde.

 




Joost, Peter & het Tet-offensief

Gepost op: 12/02/18

Op 31 januari interviewde ik Joost de Vries voor het tijdschrift Verzin. Locatie was de Brakke Grond in Amsterdam. Een heerlijk gesprek waar ik nu nog dagelijks aan terugdenk, terwijl ik zelf zit te schrijven in het Lijsternest van Stijn Streuvels. Voor wie wat opfrissing nodig heeft: Joost won in 2014 de Gouden Boekenuil voor zijn roman De republiek. Hij creëert personages die bulken van de kennis en die daar graag mee uitpakken. Joost zelf is even veelbelezen maar wat bescheidener, het werd een fijne babbel over ambities, rituelen, persoonlijkheid en de lol van het schrijven. Toen we afrondden, wat handtekeningen uitwisselden en nog even na keuvelden, vertelden we over de boeken die we momenteel aan het lezen waren. Bij mij was dat Max, Mischa & het Tet-offensief van Johan Harstad.

‘O ja, is die wat goed?’ vroeg hij, ‘want 1200 pagina’s dat is toch een heel commitment om daaraan te beginnen.’

‘Best wel', zei ik. Waarop hij eruit flapte: ‘Dat is vandaag, wist je dat?’

‘Wat?’

‘Het Tet-offensief. Op 31 januari.’ Ik stond versteld.

‘En dat weet jij zomaar?’

‘Het was in 1968, precies vijftig jaar geleden. En het valt samen met de verjaardag van prinses Beatrix, die wordt vandaag tachtig. Ik moet wel zeggen: ik heb er onlangs een stuk over gemaakt voor De Groene Amsterdammer. Maar anders had ik het ook wel geweten.’

Waarmee ik dus in één klap reclame maak voor Max, Mischa & het Tet-offensief, De republiek (of zijn nieuwste, Oude meesters) en het lentenummer van Verzin. Elk werkstuk is ongeveer een vijfde dunner dan het vorige, maar laat dat vooral geen graadmeter zijn.

 






Nieuwsarchief