Nachtelijke boodschapper

Gepost op: 14/01/21

Als je iets nieuws voor het eerst meemaakt, weet je nooit of het blijvend zal zijn. Zo was ik begin jaren 80 de eerste in België op wie een echografie werd uitgevoerd – ik was als kind op bezoek bij mijn grootvader in het ziekenhuis in Lier toen ze daar een splinternieuwe machine hadden geïnstalleerd waarvoor ze even een proefkonijntje wilden, van de spanning ging mijn hart helemaal loos op het scherm – maar dat is een ander verhaal.

Precies 25 jaar voor het begin van de eerste lockdown, die telewerk en afstandsonderwijs deed boomen, was ik als student een van de pioniers – enfin, noem het ook maar proefkonijnen – van vermoedelijk de eerste onlinecursus in Europa. In de lente van 1995 nam de letterenfaculteit van de KU Leuven deel aan het HUMANITIES-project (Historic Universities Multimedia Network for Innovation in Education System). Studenten die eraan deelnamen mochten daar een ander vak voor laten vallen. Ik heb de scriptie nog die ik daarover moest schrijven en als ik die teruglees, leek er vooral veel mis te gaan. We kregen van de universiteiten van Granada, Groningen, Bergen, Montpellier en Wenen videocassettes met opgenomen lezingen opgestuurd en het hoogtepunt waren enkele liveconferenties via het toen nog prille internet. Aan de KU Leuven waren het de professoren van literatuurwetenschap die hun schouders eronder zetten (vooral José Lambert maar ook Rik Van Gorp en mijn eindwerkpromotor Joris Vlasselaers).

Enfin, heel interessant allemaal, zeker als je bekijkt hoe alles sindsdien geëvolueerd is. Maar het gekke is: hoe komt het dat ik nu terugdenk aan een project van een kwarteeuw geleden dat ik eigenlijk al min of meer vergeten was?

De laatste weken droom ik veel en levendig en ik herinner me die dromen vaak bij het ontwaken. Zo zat gisterennacht mijn goeie ouwe professor Hugo Brems aan de keukentafel van mijn ouderlijk huis. Mijn moeder riep me, zij had hem al ontvangen en een stoel geboden. Het was avond de lamp gaf een zacht licht.

Ik ging erbij zitten en vroeg hoe het met hem ging.

Goed, zei hij.

Hij vroeg me wat ik nu gevonden had van die studie Germaanse.

Ik zei hem dat het bevredigend was, maar dat er ook dingen beter gekund hadden.

Ja, en dan was er nog dat pioniersproject in afstandsonderwijs, zei hij.

Zodoende.

Onze geest maakt soms rare bochten, niet het minst wanneer we slapen.

 




De geboorte van de melancholie

Gepost op: 01/01/21

Mijn eerste echte besef van tijd, de impact ervan, hoe hij kan samengedrukt en uitgerekt worden en hoe eindeloos leeg hij kan lijken, kreeg ik kort na mijn zevende verjaardag. Het was november en ik was dagenlang verdrietig, met huilbuien ’s avonds, tot wanhoop van mijn ouders, want ik kon of wilde niet zeggen waarom. Ik wist het zelf maar half.

Achteraf heb ik vaak aan die periode teruggedacht als aan de geboorte van de melancholie.

Maar waaruit was die dan ontstaan?

In het handboek ‘moedertaal’ hadden we op school een verhaal gelezen dat ik intens triest vond, dat deed er vast geen goed aan. Maar er moet meer geweest zijn. Ik ben later naar dat gevoel gaan delven en toen ik het bovengehaald had, dacht ik het te weten. Dat droeve gevoel was het doorbreken van het besef van tijd. En vooral: van een gebrek aan vooruitzicht. De herfstvakantie net achter de rug en voor het eerst doemde in mijn kinderogen een schier eindeloze sliert van lege weken op, zonder vakantie, zonder feestdagen, zonder iets om naar uit te kijken.

Het besef van tijd daagde en meteen deed het pijn.

Voor veel mensen doet het besef van tijd nu pijn. We hebben nood aan perspectief – deels aangepraat, deels echt. Een nieuw jaar is begonnen en we wensen elkaar het beste toe. Betere tijden. Uit het diepst van ons hart.

Onzekere tijden scheppen een wankel verlangen naar beter. Welke wensen zouden onze voorouders elkaar geschonken hebben bij het begin van 1915 of 1941? Een beter jaar allicht. En de jaren erna?

Toen ik tijdens de eerste lockdown de oorlogsdagboeken van mijn grootvader ontsloot op mijn Facebookpagina, passeerden daar ook drie Nieuwjaars. Van oktober 1942 was hij weg van huis. Op 1 januari 1943 lezen we: ‘Nieuwjaar. We wensen elkaar een gelukkig jaar en dat we gauw terug thuis mogen zijn. We moeten vandaag ook niet werken.’ Op 1 januari 1944: ‘Nieuwjaar. Een regenachtige dag met ’s avonds meer dan twee uren alarm.’ Op 1 januari 1945 wordt van Nieuwjaar geen melding meer gemaakt. Het is een maandag en er wordt dwangarbeid geleverd. Net als de dag ervoor, zondag 31 december.

Ik maak geen vergelijking met toen. Integendeel, ik vind de vanzelfsprekendheid waarmee we elkaar betere vooruitzichten toewensen van een diepmenselijke schoonheid.

Een goed en beter 2021 voor jullie allen.

 




Avondje uit

Gepost op: 21/12/20

Toen ik zonet even naar buiten ging om kerstkaartjes te posten voor de eerste lichting morgen, kwam ik een fietsend stel tegen, allebei een leeg kinderzitje achterop. Ze fietsten rustig, gezapig bijna, leken nergens bepaald vandaan te komen en ook helemaal nergens naar onderweg. Ik beeld me in dat ze een avondje uit wilden, hun knuffelcontact als babysit gevraagd hebben en bij gebrek aan beter een doelloos fietstochtje door de stad maken.

Misschien hadden ze een fles wijn en twee glazen in de diepe zakken van hun parka, zijn ze bij een bankje gestopt, dat ze met een zakdoek hebben schoongeveegd, zijn ze gaan zitten en hebben ze getoost. 'Gelukkige verjaardag, schat.'

 




Op een dag als vandaag ...

Gepost op: 30/10/20

… word ik bedolven onder de wensen, terwijl dit geen tijd is om te vieren. Toch is dit een bijzondere verjaardag, als Rat in het Chinese jaar van de Rat. Dat komt maar om de twaalf jaar voor en het waren voor mij vaak erg aparte, omwentelende jaren. Ook nu.

De voorbije weken wilde ik al enkele keren iets delen, maar ik vond er de juiste woorden niet voor.

Ik zit al enige maanden op de schommelstoel van de tijd. De ene keer gaat hij snel, dan weer traag, maar vooral: het lijkt soms of ik alles tegelijk meemaak, het verleden en het heden.

Dat komt door deze ongewone tijd, zeker, maar ook door bewust gezochte contacten met dat verleden. In het voorjaar bracht ik drie maanden dicht bij mijn roots door, ik las en deelde op mijn Facebookpagina het dagboek van mijn grootvader. En dan kwam ik weer thuis en was het amper te geloven dat die periode drie maanden had geduurd.

En nu? Wie het weet mag het mij zeggen. Ik schrijf dit op de scheidslijn van elkaar snel opvolgende gebeurtenissen.

De voorbije week merkte ik dat het me nu beter ging dan in maart. Voor een stuk is het onbekende weg, dat scheelt. Vooral vind ik het zelf minder erg om binnen te zitten wanneer de duisternis al vroeg voor de ramen valt dan wanneer de zon lokt als een sirene.

Het voelt ergens als meegaan met de tijd van het jaar. Herfst en winter ondergaan, zoals de boeren dat vroeger deden. De oogst is binnen, het fruit ingemaakt, dra wordt het varken geslacht en dan mag alles stilvallen en tot rust komen tot het nieuwe jaar. We steken de haard aan, slaan boeken open en weer dicht. De komende dagen leven we ook even met de doden, een kosmische verbondenheid.

Tegelijk is dat een nijpende gedachte. Kunnen we dat nog wel, die stilte en die donkere jaargetijden toelaten in onszelf?

Ik besef ook dat het een luxe is, dat er voor veel mensen weinig rust zal zijn de komende maanden. Ik weet nog niet eens hoe dat voor mezelf zal zijn. In het voorjaar raakte ik tijdelijk mijn werk kwijt en schreef ik de tijd vol.

Of ik wandelde. Dagelijks. Dat ben ik ook blijven doen, bijna zonder dat er een dag voorbij gaat, al is het maar voor een halfuurtje door de straten dwalen – waar nu de bladeren drijven op de wind, zoals Rilke schreef in dat prachtige gedicht Herfstdag – ik heb het zo vaak gelezen.

Ik ben niet alleen, zoals in dat gedicht, al woon ik alleen. De komende tijd zal ik allicht nog één of twee mensen kunnen zien. En graag zien. Dat is op zich al een voorrecht, denk ik.

Liefde voor jullie allen.

 




Dagboek 2020 (17 maart - 17 juni)

Gepost op: 17/06/20

De voorbije weken publiceerde ik op mijn Facebookpagina de oorlogsdagboeken (1942-45) van mijn grootvader Marcel Mans. Het begon als houvast en het groeide uit tot een dagelijkse afspraak.

Vanaf de eerste dag begon ik zelf ook een dagboek bij te houden over deze periode. Op 17 maart, het begin van de lockdown, begon dat zo:

“Is dit echt onze oorlog, de grote wereldramp van onze generatie? Ik loop nog een keer door mijn appartement, bekijk de vuilniszakken die klaarstaan om door de bovenburen buitengezet te worden, de planten die misschien water gaan krijgen de komende weken, de laatste glazen op het aanrecht die aan de vaatwasser ontsnapt zijn, in de slaapkamer het haastig opgemaakte bed, de werkkamer die rommelig is als altijd. Toen ik mijn koffers pakte en daar enkele shorts in stopte, moest ik iets wegslikken. Zal ik hier pas terugkomen terwijl het al zomer is?

Ik trek bij mijn moeder in, voor onbepaalde tijd. Mijn vriendin woont bij haar vader. Ik woon alleen en mijn moeder ook en gezien de situatie lijkt dat de juiste keuze. Elkaar bijstaan in deze buitengewone omstandigheden. Ik weet dat iemand om me heen me rust zal geven.”

We zijn dag op dag drie maanden verder en sinds vanavond ben ik weer thuis. Mijn eerste thuis, want ik weet dat ik dus nog altijd een refuge heb in Heist-op-den-Berg, waar ik tot mijn zeventiende gewoond heb. In dat huis bracht ik de voorbije drie maanden door.

Het is vreemd om op die periode terug te blikken. Ze is tegelijk nonchalant snel en zorgzaam traag voorbijgegaan. Het dagboek telt 15.000 woorden. Ik kan er slechts een fractie van weergeven. Sommige passages zijn daar ook te persoonlijk voor.

Er is zoveel gebeurd. Vaak zijn het geen wereldschokkende dingen, maar krijgen ze gewicht door het volle besef van de ervaring. Het is als op reis gaan, die periodes herinner je je ook sterker dan alledag. Ik sliep in een bed waar mijn ouders en grootouders nog in geslapen hebben. Alleen al ’s nachts door het raam kijken in de straat en daar een nieuw gezichtspunt vinden omdat je vanuit die kamer vroeger nooit ’s nachts naar buiten gekeken hebt, is al een bijzonder detail op zich. Zo zijn er talloze.

Ik begon te wandelen. Aanvankelijk omdat ik wist dat ik er rustig van werd. Nadien bleef ik het doen omdat ik het fijn vond. Geen dag is er voorbij gegaan zonder dat ik een drietal kilometer stapte, maar meestal was het dubbel of drie keer zoveel. Ik maakte wandelingen met mijn moeder naar het kerkhof, ik maakte ochtendwandelingen met mijn broer, een heerlijke verjaardagswandeling met mijn vriendin. Met een ruwe schatting kom ik uit op 500 à 600 kilometer. Drie kilometer in de rondte van mijn ouderlijk huis is er geen ezelspaadje meer dat ik nu niet ken.

Ik werkte ‘thuis’ tijdens de week en kookte in het weekend, waarbij ik mijn moeder enkele nieuwe dingen leerde kennen. Bij gelegenheid speelde ik voor loodgieter, haarkapper of schilder. Ruzie maakten we nooit. Een aantal avonden was ik Dichter van Wacht en ik coördineerde mee de Gedichtenkrans, een manier om me nuttig te maken in de coronacrisis.

Half april, op een moment dat ik het niet meer verwachtte, zette mijn grootste opdrachtgever zijn activiteiten voor drie maanden stil. Dat was, na 17 maart, een nieuwe dag nul.

Het kostte me een week om dat te verwerken en dan sloeg de motor aan. Waar ik de eerste maand alleen aan mijn dagboek kon schrijven, kwam er opeens een déclic: ik zou mijn roman gaan afwerken. We zijn acht weken en 20.000 woorden verder. Nog zo’n 10.000 te gaan. Dat moet afgerond zijn tegen half juli, wanneer de werkopdrachten opnieuw zouden moeten binnenlopen.

En al die tijd sluimerde op de achtergrond de oorlog. De eerste weken waren er de soms wat dwaze vergelijkingen tussen de oorlog en corona, en de publicatie van mijn grootvaders dagboeken om die te duiden. Maar de oorlog ging daar niet mee weg. Ik keek naar de reeks van Arnout Houben over de bevrijding, ik luisterde met bewondering naar de speech van Arnon Grunberg op Dodenherdenking, ik trof in Heist voor het eerst de gedenksteen voor een neergeschoten Lancaster, ik keek de voorbije weken naar de klassieke serie Band of Brothers en las de roman Bloedgetuigen van Johan de Boose. En er zijn de verhalen van mijn moeder over vroeger, waarvoor ik geen moeite moest doen om haar die te laten vertellen.

Nu de laatste restjes van de lockdown opgeruimd zijn, was het tijd om weer te vertrekken. Ik koos de symbolische datum van 17 juni.

Mijn grootvader sloot zijn oorlogsdagboek af met: “In de namiddag rond 17 uur ben ik thuis.” Ik noteerde daarnet: “Om 19.30 uur ben ik weer thuis.” Hij was toen anderhalf jaar van huis, ik drie maanden.

Het is evengoed wennen. Ik heb iemand die me dierbaar is weer alleen moeten laten. Het uitzicht uit mijn raam hier in Leuven zit niet meer gebeiteld in mijn blik, het moet zich daar opnieuw een plaats verwerven na drie maanden de straat van mijn jeugd. Het zal even zoeken zijn om ook hier weer gelukkig te worden, maar ik weet dat zoiets altijd sneller komt dan verwacht.

 






Nieuwsarchief