De jaren

Gepost op: 30/10/22


Op je verjaardag sta je stil bij de dingen die veranderen. Afgelopen week maakte ik een paar ochtendwandelingen rond het Lijsternest en van op de kouter zag ik een lange sliert koplampen van auto’s en trucks voorbijglijden. Wat een ander beeld moet dat geweest zijn toen Stijn Streuvels hier een eeuw geleden zijn wandelingen deed. Een vreemde gewaarwording was het ook om in de vroege ochtend geen enkele kilte te voelen en met een dunne bomberjack op pad te kunnen. 


Ondertussen probeerde ik in mijn schrijfvertrek tijdsgewrichten op elkaar te leggen als de kleurlagen van een litho. Switchen tussen tachtig jaar geleden en nu, wat een reuzensprong voor de mens is, is een kleine stap voor een schrijver. Zo ontdekte ik bij mijn research ook dat het op 1 november 1943 ruim zeventien graden warm was. Mijn grootvader, op zijn laatste verlof van dwangarbeid, en mijn hoogzwangere grootmoeder poseren in lichte kleding en zonder jas voor de foto. Toen was dat vrij uniek. 


Ik heb hier weinig gepost de voorbije dagen. Met de beheerder van het Lijsternest, Thomas Jacques, sprak ik geregeld over mijn en zijn werk. Dat volstond. Het boek is weer in een stroomversnelling geraakt, dus we schrijven door, sinds deze week extra aangepord door een werkbeurs van het letterenfonds, Literatuur Vlaanderen. En ik mocht enkele fragmenten voorlezen op een literaire avond in De Egelantier. De mensen werden er stil van, dus ik ook. Verder las ik ook, onder meer in De Jaren van Annie Ernaux. 


Vandaag is mijn laatste van veertien dagen relatieve afzondering. Ook daarom is het een wat bijzondere verjaardag, ik sprak vandaag met geen levende ziel en ben blij morgen mijn geliefden terug te zien. En jullie allen dank ik een paar honderd keer voor alle wensen. Morgen drinken we er nog een glas op en dan is het weer gepasseerd en komen de dagen eraan om stil te staan bij de doden.

Maar eigenlijk heb ik dat hier al de hele tijd gedaan. 
 




Sint-Maarten

Gepost op: 10/03/22


Op donderdag wandel ik in de vooravond soms langs het kerkje van Sint-Martinus in Wilsele, het is het enige ogenblik dat het geopend is. Af en toe ga ik er naar binnen, om wat na te denken of een kaarsje te branden. Een oud gebruik dat ik koester om zijn eenvoud en schoonheid, je drukt letterlijk je hoop uit dat er licht komt in de wereld en dat is een schone gedachte om even bij stil te staan. 

Vooraan in het kerkje staan twee beelden. Links een van Sint Maarten en rechts een Mariabeeld. Vandaag voelde ik al van ver de behoefte om twéé kaarsjes te gaan branden, een bij Maria voor Hier en een bij Sint Maarten voor Ginder. Het waren slechts schamele theelichtjes maar dat gaf niet. Terwijl ik voor dat simpele, wat naïeve beeldhouwwerk van Sint Maarten zat, zag ik er plots onweerstaanbaar een Russische soldaat in die zijn kogelvrij vest afstaat aan een Oekraïense burger en hoopte ik vurig dat er daarginds nu en dan sprankels van compassie en medemenselijkheid zouden zijn.
Ik zit zelf weer volop in de oorlog, mentaal dan, met de concrete herwerking van mijn grootvaders dagboeken, waarin een fragment opduikt met omgekeerde rollen, Duitse officieren die een Russische krijgsgevangene mishandelen. En passant herlees ik ook ‘Oorlog en terpentijn’ en daarin heet de hoofdfiguur, Stefans grootvader, toevallig ook Martien, al wordt dat door onwillige Franstalige officieren consequent uitgesproken als marsjèn. 


Wat al ergens in mijn achterhoofd sluimerde, wrong zich nu naar de oppervlakte van mijn bewustzijn: dat een martien in het Frans een marsmannetje is. En dat Sint Maarten vast als een marsmannetje bekeken werd toen hij zijn mantel in tweeën sneed en met de naakte bedelaar deelde. Tegelijk hoop ik dat er nu ergens in Oekraïne een soldaat is die zich als een marsmannetje wil gedragen, die lak heeft aan Befehl ist Befehl en zich bekommert om de smekende burger langs de weg. Een misschien naïeve genster van licht in deze tijden.




 




Karbonkels

Gepost op: 30/10/21

Dank voor alle wensen die me vandaag op een pad van liefde langs verschillende plaatsen voerden, van de klas waarin ik lesgaf tot het huis waar ik opgroeide samen met mijn grootvader. Zoals velen onder jullie weten ben ik bezig aan een roman die op zijn oorlogsdagboeken gebaseerd is. Daarin staat veel kommer en wel, lijden en honger, maar af en toe duiken in mijn eigen herinneringen ook veel grappige anekdotes op die voor een tegengewicht zorgen. Ik wil er vandaag graag een met jullie delen, eentje met een vleugje Halloweensfeer: 
-
Die keer dat ik als kind dringend moest plassen, net terwijl ik op tv een spannende serie aan het volgen was. Om zo weinig mogelijk te moeten missen van de avonturen van Buck Rogers of Nils Holgersson of welke held het ook was, spurtte ik naar buiten, het koertje op. Ik trok de deur van het toilet open en zag daar een donkere massa, waarin twee karbonkels oplichtten. Krijsend van de panische schok stormde ik het huis weer in, klampte me aan mijn moeder vast terwijl ik mijn grootmoeder op de achtergrond hoorde kijven. ‘Marcel, waarom doet ge ook het licht niet aan als ge naar het gemak gaat!’ 

 

 




Dicht bij de natuur

Gepost op: 29/06/21

Vandaag vijf jaar geleden overleed mijn grootmoeder. Ze werd 104. Het bewuste leven had haar al langer verlaten, maar het leek of haar lichaam op deze wereld wilde blijven tot al haar negen broers en zussen vredig waren heengegaan, als behoedster van de familie – haar jongste zus overleed twee maanden ervoor, op een leeftijd van 99 jaar.

De sterfdag van ‘moemoe’ is ook de dag dat ik gestopt ben met vlees eten. Ik vind het nog altijd moeilijk om dat verband te duiden, maar het is er wel. Alsof ze me die dag iets wilde leren en dat daar een veruitwendiging van is.

Mijn grootmoeder was altijd de Stille Kracht van ons gezin. Weinig woorden, veel warmte. Vandaag is het vijf jaar geleden en ik heb al enkele dagen het gevoel dat ze me weer iets wil leren.

Gisteren hoorde ik op de radio een citaat van Jean-Jacques Rousseau, het was blijkbaar de zoveelste geboortedag van de grote Franse filosoof. Het ging erom dat de mens dicht bij de natuur moet blijven. Ik interpreteer dat dubbel: de natuur als omgeving en de natuur, de aard van de mens zelf. Het past allebei bij mijn grootmoeder.

Ik was verrast door die link die zich zo plotseling aandiende, maar ik wist meteen ook dat het klopte. Het zet weer een aantal dingen in een nieuw perspectief, zoals het klimaatdichterschap dat ik afgelopen jaar opnam.

Maar de echte les ga ik in mezelf moeten zoeken. Misschien zal het net zo moeilijk uit te leggen blijken als het besluit om nagenoeg geen vlees meer te eten. De helderste zaken zijn soms het moeilijkst om uit te leggen.

Het is bijna juli, de riem gaat er stilaan af, meer tijd voor andere dingen. Zoals op ontdekkingstocht gaan. Schrijven lijkt me daartoe een mooie manier.

 




Manuscript

Gepost op: 05/05/21

Het manuscript van de roman waar ik de afgelopen vijf jaar aan heb gewerkt (naast de poëzie) heb ik voor onbepaalde tijd in de lade gelegd. Dat is best een pittige beslissing geweest. Het goede nieuws is dat er hopelijk iets moois voor de in plaats komt.

Die roman, die als werktitel Perceval kreeg, ging over onderwerpen die mij altijd geïnteresseerd hebben, een ongewone liefdesgeschiedenis, radicalisering, schaken, Joegoslavië. Het basisverhaal was al oud, de thema’s zijn er gaandeweg ingeslopen. Ik heb het door de jaren herwerkt en bijgestuurd, maar het werd op den duur te veel patchwork. Wat op de ene plaats werd opgelapt vertoonde elders nieuwe scheuren.

Het manuscript is de voorbije maanden door enkele deskundige handen gegaan en hoewel het zeker bijval oogstte, werden er ook mankementen blootgelegd. De conclusie was dat Perceval mogelijk niet het beste boek is dat ik op dit moment in me heb. Dat kan gebeuren, maar het was niet gemakkelijk om me daarmee te verzoenen.

Ik had het nog een keer op de schrijftafel kunnen leggen, maar dat wrong. Omdat ondertussen een tweede verhaal zich opdrong – het leek soms of ik van twee romans moest bevallen. Dat andere verhaal heeft als uitgangspunt het oorlogsdagboek van mijn grootvader, dat ik hier een jaar geleden in ruwe, onbewerkte staat deelde.

Om die dagboeken eer te bewijzen in een goede roman nam ik jaren geleden de beslissing om eerst een andere roman te schrijven. Die zou me de ervaring geven voor een tweede, beter boek. Of dat een verkeerde beslissing was, zal ik nooit kunnen zeggen. Ik heb met Perceval alleszins mijn vingers geoefend. En ik heb zin om dat verhaal van mijn grootvader te vertellen.

Maar om dat eerste manuscript aan de kant te leggen heb ik wel wat moed uit het onderste van de kan moeten schrapen. Het is na jaren opnieuw beginnen. Het hielp daarbij dat ik dat nog ooit gedaan heb. Toen ik negentien was, heb ik mijn studies wiskunde stopgezet om aan taal- en letterkunde te beginnen. Die beslissing borrelde toen al even en op een nacht in september verliet ik in mijn geboortedorp een fuif waar ik amper iemand kende en ging ik twee uur lang door de nacht dolen. Tijdens die nachtelijke wandeling heb ik de knoop toen doorgehakt. Zonder de avondklok was het nu vast opnieuw zo gegaan.

Ik wil bij deze ook iedereen bedanken die op een of andere manier steun, klankbord en kritische stem is geweest bij dat eerste manuscript en ik hoop dat ik ook de komende jaren – het zullen er wel geen vijf zijn ditmaal – nog op jullie mag rekenen.

(Nu ik deze herinnering ophaal, valt me plots in dat die fuifzaal van toen het repetitielokaal was van een fanfare. Die fanfare had de omineuze naam Moed en Volharding.)

 






Nieuwsarchief