Batmanmeisje


Messcherp stapte hij mijn ochtend binnen, de opkomende zon
trok gouden vegen door zijn haar. Lachend – zijn glimlach
karmozijnrood om zijn mond geverfd. Wat gek, dacht ik

dat stilte plots kan stokken en een kamer vol met handen
groeien kan. Ook wist ik dan nog niet hoe haarfijn huid
zich opent en hoe diep. In een armzwaai was het voorbij.

Nu is hij helemaal van mij. Hij kan me in zijn schimmige
bestaan niet meer ontlopen. Bij elk ontwaken lig ik
middendoor gesneden als een  broodje op zijn bord.

Hij vraagt me soms waarom ik kleef en niet meer los
te weken ben. Ik denk dat hij de maskerade niet begrijpt,
het dwarrelt kruimels in zijn beenderwitte hoofd.

 

Jokerjongen


Ik luisterde naar wat me werd verteld. Zoals: het sneeuwt
in meisjesbuiken, onze dromen zijn het draaiboek van
de dag, plof iets scherps in een schaduw en hij knapt.

Ik ging waarheen ik werd gestuurd. Betrad een huis waar
beren uit de zoldering groeien. Vond een kind dat boven-
klanken uitstootte, haar oren spitsend als een vledermuis. 

Nu wacht zij op me in een dichtgeregen huis, met muren
van gelei. Soms zit ze in die muren. Soms tref ik haar aan
onder de stolp van mijn ontbijt. Soms neemt ze haar masker

af, maar niet voordat ze me de rug toekeert. Soms vecht ze
met de zon, dan zie ik haar contouren voor het hoge
vensterraam terwijl ze op haar blote dijtjes tralies rolt.

 

 

Tussen de distels

 

Ze komen uit de weiden ’s ochtends
wanneer de avond vanzelfsprekend
nog ongeschonden zal zijn

of uit een kleine Poolse winkel
met een deur half uit de hengels en
een kind dat in de achterkamer schreit

of groeiden langs de bielsen
op een spoorwegberm tussen
distels, brandnetel en klit.

Tegen een fotomuur markeren ze nu
rozenrood en anjergeel twee grauwe mugshots
als vakjes op een bingokaart, twee nummers

die door het spel van langs hen heen
schuivende kampbezoekers even luidop
namen krijgen. Amelia. Tadeusz.

 

 

Ons huis (1)

 

Waar de wereld ondoorzichtig is, 
is ons huis.

Het biedt barmhartig onderdak aan
de uren waarin wij ons doorstaan.

Ooit bleef er de ochtend kleven
aan de deurposten en vatten
bij valavond de stenen langzaam vuur.

Het is de plek waar wij vonden zonder zoeken,
iets ons naar het middelpunt dreef.

Nu wonen wij er nog tegen de rand
en vrijwel ademloos. De binnenlucht is dik,
beslaat de ramen zoals wij eens elkaar.

Hier sluimeren de dagen diep in ons.

 

Ons huis (3)

 

In deze kamer raken wij elkaar
bijna, af en toe en alleen
omdat de wereld buiten er begint

en eindigt. Hier moet het licht gedempt
moet porselein en poëzie onaangeraakt
en op een stoel de afgelegde uitrusting.

Wanneer we ons omkleden laten we iets
achter dat niet in potjes kan gestopt
en de spiegel prikkelt tot herinnering.

Hier maquilleren zich nog steeds dezelfde
ballerina’s, keuren de kleren en elkaar
en stuiven weg naar een of andere bühne.

Nu wij – beeld over beeld gelaagd
en hoe we ook trachten te delen,
de spiegel vermaakt ons opnieuw.