De voorbije weken publiceerde ik op mijn Facebookpagina de oorlogsdagboeken (1942-45) van mijn grootvader Marcel Mans. Het begon als houvast en het groeide uit tot een dagelijkse afspraak.
Vanaf de eerste dag begon ik zelf ook een dagboek bij te houden over deze periode. Op 17 maart, het begin van de lockdown, begon dat zo:
“Is dit echt onze oorlog, de grote wereldramp van onze generatie? Ik loop nog een keer door mijn appartement, bekijk de vuilniszakken die klaarstaan om door de bovenburen buitengezet te worden, de planten die misschien water gaan krijgen de komende weken, de laatste glazen op het aanrecht die aan de vaatwasser ontsnapt zijn, in de slaapkamer het haastig opgemaakte bed, de werkkamer die rommelig is als altijd. Toen ik mijn koffers pakte en daar enkele shorts in stopte, moest ik iets wegslikken. Zal ik hier pas terugkomen terwijl het al zomer is?
Ik trek bij mijn moeder in, voor onbepaalde tijd. Mijn vriendin woont bij haar vader. Ik woon alleen en mijn moeder ook en gezien de situatie lijkt dat de juiste keuze. Elkaar bijstaan in deze buitengewone omstandigheden. Ik weet dat iemand om me heen me rust zal geven.”
We zijn dag op dag drie maanden verder en sinds vanavond ben ik weer thuis. Mijn eerste thuis, want ik weet dat ik dus nog altijd een refuge heb in Heist-op-den-Berg, waar ik tot mijn zeventiende gewoond heb. In dat huis bracht ik de voorbije drie maanden door.
Het is vreemd om op die periode terug te blikken. Ze is tegelijk nonchalant snel en zorgzaam traag voorbijgegaan. Het dagboek telt 15.000 woorden. Ik kan er slechts een fractie van weergeven. Sommige passages zijn daar ook te persoonlijk voor.
Er is zoveel gebeurd. Vaak zijn het geen wereldschokkende dingen, maar krijgen ze gewicht door het volle besef van de ervaring. Het is als op reis gaan, die periodes herinner je je ook sterker dan alledag. Ik sliep in een bed waar mijn ouders en grootouders nog in geslapen hebben. Alleen al ’s nachts door het raam kijken in de straat en daar een nieuw gezichtspunt vinden omdat je vanuit die kamer vroeger nooit ’s nachts naar buiten gekeken hebt, is al een bijzonder detail op zich. Zo zijn er talloze.
Ik begon te wandelen. Aanvankelijk omdat ik wist dat ik er rustig van werd. Nadien bleef ik het doen omdat ik het fijn vond. Geen dag is er voorbij gegaan zonder dat ik een drietal kilometer stapte, maar meestal was het dubbel of drie keer zoveel. Ik maakte wandelingen met mijn moeder naar het kerkhof, ik maakte ochtendwandelingen met mijn broer, een heerlijke verjaardagswandeling met mijn vriendin. Met een ruwe schatting kom ik uit op 500 à 600 kilometer. Drie kilometer in de rondte van mijn ouderlijk huis is er geen ezelspaadje meer dat ik nu niet ken.
Ik werkte ‘thuis’ tijdens de week en kookte in het weekend, waarbij ik mijn moeder enkele nieuwe dingen leerde kennen. Bij gelegenheid speelde ik voor loodgieter, haarkapper of schilder. Ruzie maakten we nooit. Een aantal avonden was ik Dichter van Wacht en ik coördineerde mee de Gedichtenkrans, een manier om me nuttig te maken in de coronacrisis.
Half april, op een moment dat ik het niet meer verwachtte, zette mijn grootste opdrachtgever zijn activiteiten voor drie maanden stil. Dat was, na 17 maart, een nieuwe dag nul.
Het kostte me een week om dat te verwerken en dan sloeg de motor aan. Waar ik de eerste maand alleen aan mijn dagboek kon schrijven, kwam er opeens een déclic: ik zou mijn roman gaan afwerken. We zijn acht weken en 20.000 woorden verder. Nog zo’n 10.000 te gaan. Dat moet afgerond zijn tegen half juli, wanneer de werkopdrachten opnieuw zouden moeten binnenlopen.
En al die tijd sluimerde op de achtergrond de oorlog. De eerste weken waren er de soms wat dwaze vergelijkingen tussen de oorlog en corona, en de publicatie van mijn grootvaders dagboeken om die te duiden. Maar de oorlog ging daar niet mee weg. Ik keek naar de reeks van Arnout Houben over de bevrijding, ik luisterde met bewondering naar de speech van Arnon Grunberg op Dodenherdenking, ik trof in Heist voor het eerst de gedenksteen voor een neergeschoten Lancaster, ik keek de voorbije weken naar de klassieke serie Band of Brothers en las de roman Bloedgetuigen van Johan de Boose. En er zijn de verhalen van mijn moeder over vroeger, waarvoor ik geen moeite moest doen om haar die te laten vertellen.
Nu de laatste restjes van de lockdown opgeruimd zijn, was het tijd om weer te vertrekken. Ik koos de symbolische datum van 17 juni.
Mijn grootvader sloot zijn oorlogsdagboek af met: “In de namiddag rond 17 uur ben ik thuis.” Ik noteerde daarnet: “Om 19.30 uur ben ik weer thuis.” Hij was toen anderhalf jaar van huis, ik drie maanden.
Het is evengoed wennen. Ik heb iemand die me dierbaar is weer alleen moeten laten. Het uitzicht uit mijn raam hier in Leuven zit niet meer gebeiteld in mijn blik, het moet zich daar opnieuw een plaats verwerven na drie maanden de straat van mijn jeugd. Het zal even zoeken zijn om ook hier weer gelukkig te worden, maar ik weet dat zoiets altijd sneller komt dan verwacht.