Voetbaldromen

Gepost op: 18/10/10

Hij is vijf en mag voor het eerst mee naar het voetbal. Tweede klasse, bij kunstlicht.
Enkele weken eerder was er bij zijn papa een uitnodiging van de club in de bus gevallen en hij – die voordien thuis op het gazon nauwelijks een bal een blik waard had gekeurd – wou gaan voetballen.
Vier weken was hij al dapper gaan trainen, elke maandagavond.
Of hij misschien eens graag mee wou naar de grote sjotters?
Ooh! Ja!

En zo trekken we die vrijdagavond kleine hand in grote hand naar het stadion. Het gedruppel begint een flinke regenbui te worden en dus opteren we voor een plekje op de tribune. Dat maakt indruk.
Het veld ligt er glinsterend en lichtovergoten bij. We zitten een half uur voor de aftrap al op onze plek want de club heeft een presentatie van alle jeugdploegen gepland. Een voor een komen ze het veld op gedefileerd om de letters KSK te vormen. In het eerste groepje herkent hij al meteen zijn trainer – een strenge! – en enkele ploegmaats – nog niet bij naam, maar dat komt nog wel.
Tien minuten voor het begin van de wedstrijd loopt de tribune vol, de muziek speelt en hij amuseert zich opperbest. Kijkt zich de ogen uit. Zwijgt geen vijf seconden. Alles heeft hij opgemerkt, overal geeft hij zijn eigen onbevangen interpretatie aan. Zoals: dat het alleen in de hoeken van het veld regent. Neen, dat klopt niet, zeg ik hem, alleen zie je daar de regen vallen tegen het schijnsel van de lichtmasten. Aan de middellijn geen lichtmast en dus ook geen zichtbare regen.

De wedstrijd begint. De aanvangsminuten zijn slap en de eerste opwinding na een flinke verre trap – waauw, zo hooog! – ebt stilaan weg. Dat het daarnet eigenlijk leuker was, toen ze nog muziek speelden, bekent hij. Zijn uitzicht is ook niet optimaal. Ik neem hem op mijn schoot.
Die tien centimeter maken een wereld van verschil wanneer je achter een opgestoken dameskapsel zit. Met zijn niet aflatend gekwebbel tovert hij glimlachjes op de mensen om ons heen, al kan ik, nu hij voor me zit, niet altijd goed horen wat hij van onder zijn warme kap allemaal vertelt.
Het wordt 0-1. Teleurstelling die al in zijn kinderlijfje voelbaar is. Angstige kreetjes van zodra de tegenpartij nog maar over de middellijn komt.
En de vragen blijven: wie die man is die soms fluit? Na een korte duiding van de hoedanigheid van de scheidsrechter: ha, dat is dus eigenlijk de baas? En waarom fluit die? Wel, omdat een speler stout is en in plaats van tegen de bal tegen de benen van iemand anders trapt.
Wanneer het spel wat ruwer wordt valt de eerste gele kaart, voor de bezoekende ploeg. Wat er gebeurt, vraagt hij? Ik: die speler is heel stout geweest en krijgt nu een gele kaart. Waarop hij, ontwapenend logisch: waar moet die nu met die kaart blijven…?

Op het halfuur valt de gelijkmaker en wordt de sfeer opnieuw volop de tribunes in geblazen. Hij applaudisseert enhousiast mee.
Het laatste kwartier lijkt hij zich geenszins te vervelen, maar de afspraak is: slechts één helft. Half tien is ruimschoots bedtijd.
Zijn mama komt hem tijdens de rust ophalen aan de stadionpoort.
Hij kijkt niet meer om en kwebbelt nog altijd verder, voetbaldromen tegemoet.